De
zon brandt op mijn armen. De krullerige blauwe letters die uit mijn pen
vloeien beginnen voor mijn ogen te dansen, terwijl een dikke vlieg
brommend zijn weg naar buiten zoekt. Met een knal botst hij tegen het
bovenlicht en valt op zijn rug op mijn tafelblad. Hij tolt driftig in
het rond. Met mijn wijsvinger schiet ik hem als een propje door het
openstaande raam naar buiten om hem uit zijn lijden te verlossen. Ik
zie hem wegvliegen; over het met madeliefjes bezaaide gras en de
beukenhagen vol vette rupsen, naar de zacht wiegende treurwilg aan de
waterkant, waar jonge eendjes zich verkoelen in het water.
Vanuit de
Bosweg komt
een fietser.
Hij lijkt op de vader van Maarten. Mijn blik glijdt als vanzelf naar de
lege plek naast me. Na schooltijd ga ik altijd naar hem toe om te
vertellen wat er die dag is gebeurd; bijvoorbeeld dat het toch heus
waar is dat de dochter van de dominee heeft staan zoenen met Pieter
Koudijs; die etterbak uit de hoogste klas. Of dat Pieter nu nog steeds
met pfeiffer thuis zit.
Weet hij
zelf ook eens
wat het is
om echt ziek te zijn. Want op een dag roept Pieter „dikzak”
naar Maarten, die in een korte tijd heftig is opgezwollen. Ik zie ze
nog over het schoolplein rollen terwijl we de longen uit ons lijf
schreeuwen om Maarten aan te moedigen. Want Maarten is sterk. Maar
Pieter knelt zijn arm om het hoofd van Maarten en begint heel gemeen
aan zijn haren te trekken. Dan zien we hem opeens overeind springen,
als door een wesp gestoken en roept heel hard „getver”.
Daar staat
Pieter,
zijn armen
gespreid, met op zijn gezicht een mengeling van afschuw en schaamte. In
zijn handen blonde plukken haar, net als aan zijn jas en aan zijn
broek. Ik help Maarten overeind en zeg dat als hij niet zo was verzwakt
zou zijn zeker van Pieter had gewonnen. Ik ben trots op hem.
Zijn vader
begint
spontaan te huilen als ik Maarten half kaal op het erf aflever.
Ik schrik op
van
kloppen op de deur
van het klaslokaal. Deze zwaait direct open. Ik haal de pen uit mijn
mond en leg hem op mijn schrift en probeer de bittere smaak van plastic
en inkt in mijn mond weg te slikken.
Het is
meneer De Jong,
het hoofd van de school. Hij wenkt onze juf.
Ze legt
beheerst haar
krijtje neer
op haar bureau, veegt haar handen af aan haar blauwe jurk met witte
bloemen en loopt met hem mee de gang op in een plechtige pas; stemmen
rondom mij die lijken te hijgen, te sissen; gestommel in bankjes. Dan
een abrupte stilte als de juf terugkeert in de klas.
Ze staat
voor het bord
en kijkt ons
ernstig aan. Dan begint ze aarzelend te spreken. Haar waterige ogen
zoeken die van mij. Maar ik kijk snel weg, naar buiten, naar de blauwe
lucht waarin een reuzenwolk langzaam over drijft en de zwaluwen
zenuwachtig wentelen.
Het is
drukkend warm
in de klas en
alles lijkt stilgezet. Zelfs de takken aan de treurwilg, ze wuiven niet
meer; de eendjes hebben de snavel in hun verendek begraven.
De vader van
Maarten
zie ik nu
terug de Bosweg in fietsen. Zijn klompen stampen op de pedalen. In zijn
rechterhand houdt hij een zakdoek geklemd die hij telkens naar zijn
ogen brengt.
Naar buiten
wil ik,
weg van hier, maar mijn lichaam lijkt aan de stoel vastgenageld.
Ik sla mijn
handen
snikkend voor mijn ogen.
Dan daalt
een wolk van
lavendelgeur op mij neer. Twee hemelsblauwe armen, bezaaid met witte
bloemen, omhelzen mij.
„Het
is
goed”, zegt ze. „Het is goed.”
© Paul Boluijt, 2008
N.B. Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.
––––––––––––––––––––––––––––