Hemelblauw
door Paul Boluijt

De zon brandt op mijn armen. De krullerige blauwe letters die uit mijn pen vloeien beginnen voor mijn ogen te dansen, terwijl een dikke vlieg brommend zijn weg naar buiten zoekt. Met een knal botst hij tegen het bovenlicht en valt op zijn rug op mijn tafelblad. Hij tolt driftig in het rond. Met mijn wijsvinger schiet ik hem als een propje door het openstaande raam naar buiten om hem uit zijn lijden te verlossen. Ik zie hem wegvliegen; over het met madeliefjes bezaaide gras en de beukenhagen vol vette rupsen, naar de zacht wiegende treurwilg aan de waterkant, waar jonge eendjes zich verkoelen in het water.
Vanuit de Bosweg komt een fietser. Hij lijkt op de vader van Maarten. Mijn blik glijdt als vanzelf naar de lege plek naast me. Na schooltijd ga ik altijd naar hem toe om te vertellen wat er die dag is gebeurd; bijvoorbeeld dat het toch heus waar is dat de dochter van de dominee heeft staan zoenen met Pieter Koudijs; die etterbak uit de hoogste klas. Of dat Pieter nu nog steeds met pfeiffer thuis zit.
Weet hij zelf ook eens wat het is om echt ziek te zijn. Want op een dag roept Pieter „dikzak” naar Maarten, die in een korte tijd heftig is opgezwollen. Ik zie ze nog over het schoolplein rollen terwijl we de longen uit ons lijf schreeuwen om Maarten aan te moedigen. Want Maarten is sterk. Maar Pieter knelt zijn arm om het hoofd van Maarten en begint heel gemeen aan zijn haren te trekken. Dan zien we hem opeens overeind springen, als door een wesp gestoken en roept heel hard „getver”.
Daar staat Pieter, zijn armen gespreid, met op zijn gezicht een mengeling van afschuw en schaamte. In zijn handen blonde plukken haar, net als aan zijn jas en aan zijn broek. Ik help Maarten overeind en zeg dat als hij niet zo was verzwakt zou zijn zeker van Pieter had gewonnen. Ik ben trots op hem.
Zijn vader begint spontaan te huilen als ik Maarten half kaal op het erf aflever.
 
Ik schrik op van kloppen op de deur van het klaslokaal. Deze zwaait direct open. Ik haal de pen uit mijn mond en leg hem op mijn schrift en probeer de bittere smaak van plastic en inkt in mijn mond weg te slikken.
Het is meneer De Jong, het hoofd van de school. Hij wenkt onze juf.
Ze legt beheerst haar krijtje neer op haar bureau, veegt haar handen af aan haar blauwe jurk met witte bloemen en loopt met hem mee de gang op in een plechtige pas; stemmen rondom mij die lijken te hijgen, te sissen; gestommel in bankjes. Dan een abrupte stilte als de juf terugkeert in de klas.
Ze staat voor het bord en kijkt ons ernstig aan. Dan begint ze aarzelend te spreken. Haar waterige ogen zoeken die van mij. Maar ik kijk snel weg, naar buiten, naar de blauwe lucht waarin een reuzenwolk langzaam over drijft en de zwaluwen zenuwachtig wentelen.
Het is drukkend warm in de klas en alles lijkt stilgezet. Zelfs de takken aan de treurwilg, ze wuiven niet meer; de eendjes hebben de snavel in hun verendek begraven.
De vader van Maarten zie ik nu terug de Bosweg in fietsen. Zijn klompen stampen op de pedalen. In zijn rechterhand houdt hij een zakdoek geklemd die hij telkens naar zijn ogen brengt.

Naar buiten wil ik, weg van hier, maar mijn lichaam lijkt aan de stoel vastgenageld.
Ik sla mijn handen snikkend voor mijn ogen.
Dan daalt een wolk van lavendelgeur op mij neer. Twee hemelsblauwe armen, bezaaid met witte bloemen, omhelzen mij.
„Het is goed”, zegt ze. „Het is goed.”


© Paul Boluijt, 2008

N.B. Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.



Naar pagina Verhalen

NAAR OPENINGSPAGINA

Naar de webstek van Dick van Zijderveld.


––––––––––––––––––––––––––––


© Paul Boluijt 2008