Mijn
vader heeft me leren dansen. Dat is hoogstwaarschijnlijk niet echt zo,
omdat m’n vader veel te ongeduldig was om me iets te leren.
Ik ben
gewoon vergeten van wie ik heb leren dansen. Ik kon het al toen ik nog
heel jong was, acht of negen jaar.
Mijn
vader heeft me leren dansen. Dat vind ik een romantisch idee. We hadden
er speciaal een parketvloer voor laten leggen en tegelijkertijd met de
schuifdeuren, werd ook de drempel tussen de grote en de kleine kamer
verwijderd. Nu was er plaats genoeg, zelfs voor de tango en de Weense
wals. Maar de tango heb ik nooit met mijn vader gedaan en de Weense
wals trouwens ook niet.
In
eerste instantie leek mijn moeder er volledig achter te staan dat mijn
vader me leerde dansen. Ze heeft ook nooit iets van het tegendeel
beweerd. Ze schafte zelfs een boenmachine aan waarmee ze de vloer
steeds spiegelglad maakte. Toch moet ze in haar hart ongelofelijk
jaloers zijn geweest. Door de hele kamer verspreidde ze namelijk
Perzische tapijten en op de plaats waar het minste meubilair stond,
legde ze twee kleine persjes, zonder rubber matjes eronder. Als je daar
zo maar onbekommerd zou dansen, kon je heel gemakkelijk uitglijden en
je nek breken. Zo kon mijn moeder ons vermoorden zonder dat er enige
verdenking op haar zou rusten. Het was heel normaal dat een huisvrouw
het met kleedjes gezellig maakte, daar zou niemand iets achter zoeken.
Ze had pech. Weliswaar heeft ze ons de linkse en de rechtse draai belet
en mijn vader heeft het me ook niet al te zwierig kunnen leren, maar
gedanst hebben we en hoe! Ik moest tegenover hem gaan staan, mijn
handen in de zijne leggen. Dan deed hij me de pasjes voor: „Een, ene
twee, een, ene twee.”
In
het begin ging het een beetje houterig, waren het nog losse stapjes,
maar al snel leerde ik ze met elkaar te verbinden. Ik moest
vanuit mijn heupen bewegen, zei hij altijd en soms kon je een pasje
door een heupbeweging vervangen. Zo schuifelden we samen, al zingend,
op een vierkante meter, de persjes omzeilend om mijn moeder niet in
gewetensnood te brengen.
Mijn
vader was een grote, robuuste man die er altijd onberispelijk uitzag.
Volgens mijn moeder was hij de best geklede man van onze stad. Als kind
kon ik dat natuurlijk niet beoordelen, maar in ieder geval vond ik mijn
vader een heer als hij naar me toe kwam. Hij rechtte zijn schouders,
deed een paar stappen in mijn richting, maakte een lichte buiging
–
nooit overdreven – en vroeg of ik met hem wilde dansen. Hij
nam me bij
de hand en onderweg naar de dansvloer, deed hij de middelste knoop van
zijn colbert dicht. Toen ik de grondbeginselen eenmaal te pakken had,
hield hij me vast als een echte dame. De pasjes zaten niet meer in mijn
hoofd. Ze waren in mijn lijf gezakt en mijn vader leidde dat met een
hoffelijkheid en een passie zoals ik dat met niemand anders ooit heb
ervaren.
Ik
had heel weinig contact met mijn vader. Ik zat niet in een stoeltje
voor op zijn fiets. Mijn vader had niet eens een fiets. Hij las geen
verhaaltjes voor bij het slapen gaan, plakte geen pleister op mijn
kapotte knie. Hij was er nooit, ook later niet in een overall met een
gereedschapskist om de schilderijtjes op te hangen als ik ging
verhuizen. Hij kon niet eens een spijker in de muur slaan, geen kopje
thee zetten of me troosten als ik ziek of verdrietig was. Er hing een
kilte tussen ons, een wederzijdse onhandigheid, een voortdurend
misverstand dat alleen werd opgeheven als we samen dansten. En dansen
konden we overal. Wij hadden geen parketvloer nodig.
Daar
moest ik gisterenavond aan denken. Ik zat op een kruk met mijn rug
tegen de bar en keek de grote danszaal in. We moesten er eens uit, had
Karin gezegd. Ze bracht ons naar een dansavond voor alleenstaanden te
Gorichem. Als ik eerst een blik naar binnen had mogen werpen, alvorens
de vijftien gulden entree te betalen, dan had dat geld nu op de
girorekening van een goed doel gestort kunnen worden. Duur was het
trouwens niet. Er speelde een flink orkest in de stijl van „de
Heikrekels”, bij de koffie werden gratis gebakjes geserveerd
en later
op de avond gingen er schalen rond met bitterballen en gebraden
kippenpootjes. Plastic noch moeite was gespaard om het interieur op een
zeventiende-eeuwse boerderij te laten lijken. Het was druk en ik zag
dat het merendeel van het mannelijke gezelschap de vutleeftijd al had
bereikt. Meteen bekroop me een enorme angst. Hoe zou ik me dit
hongerige leger van het lijf moeten houden? Wanneer ik
één keer mijn prachtige blauwgrijze ogen opsloeg, zou
ik
in handen vallen van de een of andere ongemanierde beroepsmilitair, dat
wist ik zeker. En omdat ik de vriendelijkheid zelve ben, vooral tegen
domme mensen, zou ik er waarschijnlijk de hele avond niet meer van
loskomen. Ik probeerde alle blikken te ontwijken en er zo lelijk
mogelijk uit te zien.
We
vonden een plaatsje aan de bar. Daar zat ook de man waarover het
verstand van Karin constant ruzie maakte met de vlinders in haar buik.
Ik liet hen ongestoord praten en trok me terug in mijn fantasiewereld.
Af en toe keek ik schichtig rond of er niet één
gezicht
was dat mij aardig genoeg leek om het dichterbij te halen. Ik kon er
geen ontdekken. Ineens stelde ik me voor dat ik hier met mijn vader zou
dansen. Hij zou me, in mijn blauwwit gestreepte jurk met pofmouwtjes,
bij de hand nemen, me leiden over de parketvloer, behendig
manoeuvrerend tussen de massa alleenstaanden, me uittillen boven de
kilte en het voortdurende misverstand. En voor het eerst sinds zijn
dood, ruim vijf maanden geleden nu, werd ik intens verdrietig omdat dit
nooit zou gebeuren.
Intussen
meende een jonge kunstenaar contact met mij te hebben gemaakt. Naast me
hoorde ik tenminste een enthousiast verhaal over het vele geld dat te
verdienen viel met het schilderen van landschapjes, bloemen en
boerderijen. Een kunsthandel verkocht zijn werk en het begon aardig te
lopen. Vertrouwelijk deelde hij me mee dat veel kunstenaars de neiging
hebben te ontsporen. Gelukkig kon dit met hem nooit het geval zijn,
aangezien hij geïnspireerd werd door de Bijbel. Hij was nu
bezig
met het uitbeelden van een schaapskooi en de eigenaar van dit object
zat naast hem. Het betrof hier een agrariër van rond de zestig
met
een witte haardos en een stevig buikje. Bedelend om mijn aandacht
beconcurreerden de mannen elkaar. Ik werd gepolst over mijn kennis van
het boerenleven, over hoe ik het zou vinden om veel aan huis gebonden
te zijn en er werd naar mij geknipoogd onder het motto dat leeftijd
eigenlijk niet zoveel uitmaakte. „Een beetje toch
wel”, bracht ik nog
zwakjes in. Maar wat deed het er ook toe: in geval van nood zou ik met
hen allen trouwen, daar was ik vriendelijk genoeg voor.
De
leider van het orkest vroeg onze aandacht voor de loterij. Op het
garderobenummer kon je een prijs winnen. De drie mandjes die werden
verloot, waren, geheel belangeloos, ter beschikking gesteld door de
plaatselijke mandenmaker, de heer J. Schouten, Schoolstraat 11b, waar
we voor al ons rietwerk terecht konden. Terwijl de mannen hebberig naar
hun garderobenummers zochten, staarde ik weer voor me uit. En daar
stapte hij ineens mijn gezichtveld binnen: een grote, robuuste,
onberispelijk geklede man. Hij had een vrouw bij zich, die naast me
kwam zitten. Ik liet mijn kunstminnaar en zijn vriend links liggen en
knoopte een gesprek met haar aan. Van enige terughoudendheid was geen
sprake. Vrijwel onmiddellijk gooide zij een emmer ellende over me leeg.
Naar mijn relatie met m’n ex-man werd niet
geïnformeerd, maar ik
kon er, zonder meer, vergif op innemen dat hij niet de enige totaal
onbetrouwbare kerel was. Ze waren allemaal hetzelfde; haar hoefde ik
niks te vertellen. In de afgelopen veertien jaar, had ze een riante
ervaring opgebouwd met contactavonden en advertenties. En
één ding kon ze me wel zeggen, ik moest niet denken
dat
het minder verschrikkelijk was dan mijn scheiding. Het was zeker zo
erg. Boekdelen zou ze nodig hebben om me enigszins te kunnen
beschrijven wat al die smeerlappen haar al geflikt hadden. Voor haar
hoefde het in ieder geval niet meer. Mannen waren alleen maar uit op
avontuurtjes. Behalve Joep dan, met wie ze hier was. Nog met geen
vinger had hij haar ooit aangeraakt. Ze hadden geen verhouding, maar
hij was een echte vriend, geen man van avontuurtjes. Ik keek naar Joep
die een eindje verderop stond. Ineens voelde ik een onbedwingbare lust
om hem ten dans te vragen. Dat bleek niet nodig. Hij had mijn blik
opgevangen, rechtte zijn schouders, deed een paar stappen in mijn
richting, maakte een lichte buiging – niet overdreven
– en vroeg of ik
met hem wilde dansen. Dan nam hij me bij de hand en onderweg naar de
dansvloer, deed hij de middelste knoop van zijn colbert dicht. Het ging
als vanzelf. We deden de hele serie. Het orkest zette een langzame
foxtrot in. De lampen gingen uit. We werden alleen nog beschenen door
een fluorescerend licht dat een sprookjesachtig effect gaf op mijn
blauwwit gestreepte truitje en op het witte overhemd van Joep. Hij
sloeg zijn armen om me heen en ik legde mijn hoofd op zijn schouder.
Dichterbij, dichterbij, dichterbij kon niet. Ik hoorde zijn versnelde
ademhaling, voelde de zoenen op mijn mond en in mijn hals die ik, haast
automatisch, beantwoordde. Toen de lampen weer aangingen, keek ik in
een verwonderd, verrukt, verheerlijkt mannengezicht. Nog geen twintig
minuten geleden had hij me bezworen dat hij de hoop op een aardige
vrouw al jaren geleden had opgegeven en nú al had hij de eed
verbroken. Maar ik liet niets van mijn teleurstelling merken.
Integendeel: ik straalde hem tegemoet, voerde hem kippenpootjes en
bitterballen, was lief, enthousiast, gezellig en zorgzaam. Ik gaf hem
het gevoel dat hij regelrecht voor mij uit de hemel was gevallen en dat
ik mijn geluk niet op kon. Joep ging even iets te drinken halen.
„Ik
wil naar huis,” fluisterde ik tegen Karin, „Er gaat
hier iets helemaal
mis.” Ze had ons een poosje gadegeslagen en keek me
stomverbaasd aan.
Mijn spreektijd was om. Daar waren de armen van Joep alweer, de
parketvloer, het orkest en het fluorescerend licht. Ik had niet eens de
gelegenheid gehad om aan Karin uit te leggen dat mijn moeder me had
leren vissen. Het was er nooit van gekomen me voor te doen hoe je de
vangst terug in het water moest gooien. Wij hadden de gewoonte om alles
op te eten wat we aan de haak sloegen en mijn moeder deed dat met een
charme en ’n elan om „U” tegen te zeggen.
Ik
zweefde in de armen van Joep die mij zo nu en dan iets over
z’n leven
vertelde. Hij was bouwkundig ingenieur en verdreef zijn eenzaamheid
door met de NCRV op kerkenpad te gaan. Ik moest eens mee, vond hij: het
was best interessant, al die gebouwen. Ik glimlachte alleen maar. Dan
werd hij weer stil van ontroering. Onder het fluorescerend licht
verkenden zijn handen voorzichtig mijn lijf. Zo te voelen was het een
kostbare, broze pop die hij gevonden had. Maar toen de lampen weer
aangingen, werden we steeds uitbundiger. Ik rock-’n-rollde,
terwijl
Joep als een dolfijn over de parketvloer sprong, me ondertussen
toeroepend dat de oermens in hem naar boven kwam.
„Rustig
laten gaan,” riep ik terug, „dat moet er toch
allemaal eens uit.” Daar
hoefde ik niet lang op te wachten. Het was halftwee, de zaak ging
sluiten. Eindelijk zou ik naar huis mogen! Joep stond tegen me aan.
Zijn hand kroelde door mijn haar. Hij wou er niet om liegen. Hij zou
het me meteen maar eerlijk zeggen. Ik was het helemaal voor hem, hij
wilde bij me blijven. Natuurlijk eerst even zijn vriendin naar huis
brengen. Over een uur kon hij bij me zijn.
Vanmorgen
werd ik uitgeput wakker. Ik lag gewoon in mijn eenpersoonsbed. Vanuit
de hoek, naast mijn hoofdkussen, keek m’n wollen ijsbeer me
goedmoedig
aan. Maar ik voelde me niet op m’n gemak, alsof ik in een
vreemd
omhulsel, in een vreemde kamer lag. Ik draaide me om en om en langzaam
borrelde er een vertrouwd schuldgevoel in me op. Ik overdacht mijn
zonden. Overal kwam ik mannen tegen en ik wist hoe je ze op een persje
kon laten uitglijden, hoe hun nekken te breken. Ik leek gewoon niet
anders te kunnen. Misschien was het toch het beste me te melden bij de
zusters van Boetvaardigheid te Mechelen, bedacht ik: opgesloten achter
tralies, zou ik nooit meer de fout in kunnen gaan. Maar ineens
realiseerde ik me dat ik „nee” had gezegd. Hij
stond tegen me aan en
zei dat hij bij me wilde blijven. Heel resoluut had ik „nee” gezegd en
toen hij bleef aandringen, fluisterde ik hem, met mijn zwoele
stemgeluid, het adres van pastoor Van Dongen in z’n oor. Ik
had „nee”
gezegd en was de dans ontsprongen.
©
Monique van Roosmalen, 1988
N.B.
Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met
bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.
Naar
overzichtspagina Schrijverskring Gyrinus Natator
Naar
Verhalen (Dick van Zijderveld)
––––––––––––––––––––––––––––