Gisteren
had ik me nog voorgenomen het nooit, nooit meer te doen. Maar vanmorgen
heb ik de kroezen weer tot aan de rand toe met koffie gevuld en
peperkoek gesneden. Met mijn dienblaadje loop ik naar buiten tot bij de
hoge kersenboom. Eerst doe ik zo gewoon mogelijk.
„Pauze,” zeg ik, „de koffie is
klaar.” En als
hij dan niet reageert, roep ik harder:
„Schat, kom naar beneden koffiedrinken.”
Ik kan niet in
de verte kijken, zie niet waar hij zich in de boom bevindt, hoe hij de
mand tussen de takken geklemd heeft, zich bukt, strekt, naar opzij
reikt, hoe zijn handen zich met kersen vullen. Ik wacht op het geluid
van zijn stem, het kraken van takken, het ritselen van bladeren. Maar
er gebeurt niets, helemaal niets. Hij moet daar bewegingloos zitten met
ingehouden adem. Ik kijk op m’n dienblad. Misschien is
peperkoek
te burgerlijk, had ik grofkorrelige, grijsgrauwe koeken moeten kopen
met een zweem van maanzaadjes, of romige puddingsoezen, het geel
uitpuilend onder scheefgezakte, geglazuurde, zoetrose dekseltjes, hoe
moet ik dat weten. Misschien heb ik niet de juiste toon aangeslagen, de
verkeerde dingen gezegd, misschien is hij ontzettend van me
geschrokken. Ik moet oppassen, niet meer zo maar lukraak wat roepen.
Het is belangrijk dat ik goed nadenk voor ik iets doe. Ik gooi mijn
hoofd weer achterover – weergaloos zonlicht – knijp
mijn
ogen tot spleetjes, zeg dat hij geluk heeft met een valkennest in de
buurt, dat de oogst ook dit jaar overvloedig zal zijn, zeg dat hij
altijd geluk heeft. Het blijft stil. De koffie wordt koud. Dan begin ik
te huilen. Ik beloof dat ik niet meer zal vragen of hij nog kersen als
bellen om mijn oren wil hangen, of we onze monden nog rood zullen eten,
een wedstrijd houden wie de pitten het verste weg kan spugen, hij zijn
hoofd weer op mijn buik wil leggen, verborgen onder mijn gebloemde rok,
of ik in slaap kan vallen, naakt opgerold tegen zijn bezwete lichaam.
Ik zweer bij de dood van mijn vader dat ik dat alles niet meer zal
vragen wanneer hij dan nú maar gewoon naar beneden komt, zijn
koffie drinkt, iets zegt – het geeft niet wat. Misschien
alleen
de koffie drinken en niets zeggen, alleen iets zeggen – het
geeft
niet wat – zonder koffiedrinken, want die is toch al niet
lekker
meer. Er komt geen reactie. Ik smijt het stomme dienblaadje in het
gras, schreeuw dat hij op moet houden met dat kinderachtige gedoe, dat
hij een enorme slappeling is, dat ik mijn tanden in de stam zal zetten,
godverdomme eigenhandig die boom om zal trekken als het moet en hem
naar beneden halen. Ik sta daar als een tot leven gekomen
vogelverschrikker, maar hij geeft geen krimp. Wankelend raap ik het
dienblad en de kroezen op. Weer ben ik voor niets geweest.
© Monique van Roosmalen
N.B.
Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met
bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.
Naar
overzichtspagina Schrijverskring Gyrinus Natator
Naar
Verhalen (Dick van Zijderveld)
––––––––––––––––––––––––––––