Onder de kersenboom
door Monique van Roosmalen

Gisteren had ik me nog voorgenomen het nooit, nooit meer te doen. Maar vanmorgen heb ik de kroezen weer tot aan de rand toe met koffie gevuld en peperkoek gesneden. Met mijn dienblaadje loop ik naar buiten tot bij de hoge kersenboom. Eerst doe ik zo gewoon mogelijk.
    „Pauze,” zeg ik, „de koffie is klaar.” En als hij dan niet reageert, roep ik harder:     
    „Schat, kom naar beneden koffiedrinken.”
    Ik kan niet in de verte kijken, zie niet waar hij zich in de boom bevindt, hoe hij de mand tussen de takken geklemd heeft, zich bukt, strekt, naar opzij reikt, hoe zijn handen zich met kersen vullen. Ik wacht op het geluid van zijn stem, het kraken van takken, het ritselen van bladeren. Maar er gebeurt niets, helemaal niets. Hij moet daar bewegingloos zitten met ingehouden adem. Ik kijk op m’n dienblad. Misschien is peperkoek te burgerlijk, had ik grofkorrelige, grijsgrauwe koeken moeten kopen met een zweem van maanzaadjes, of romige puddingsoezen, het geel uitpuilend onder scheefgezakte, geglazuurde, zoetrose dekseltjes, hoe moet ik dat weten. Misschien heb ik niet de juiste toon aangeslagen, de verkeerde dingen gezegd, misschien is hij ontzettend van me geschrokken. Ik moet oppassen, niet meer zo maar lukraak wat roepen. Het is belangrijk dat ik goed nadenk voor ik iets doe. Ik gooi mijn hoofd weer achterover – weergaloos zonlicht – knijp mijn ogen tot spleetjes, zeg dat hij geluk heeft met een valkennest in de buurt, dat de oogst ook dit jaar overvloedig zal zijn, zeg dat hij altijd geluk heeft. Het blijft stil. De koffie wordt koud. Dan begin ik te huilen. Ik beloof dat ik niet meer zal vragen of hij nog kersen als bellen om mijn oren wil hangen, of we onze monden nog rood zullen eten, een wedstrijd houden wie de pitten het verste weg kan spugen, hij zijn hoofd weer op mijn buik wil leggen, verborgen onder mijn gebloemde rok, of ik in slaap kan vallen, naakt opgerold tegen zijn bezwete lichaam. Ik zweer bij de dood van mijn vader dat ik dat alles niet meer zal vragen wanneer hij dan nú maar gewoon naar beneden komt, zijn koffie drinkt, iets zegt – het geeft niet wat. Misschien alleen de koffie drinken en niets zeggen, alleen iets zeggen – het geeft niet wat – zonder koffiedrinken, want die is toch al niet lekker meer. Er komt geen reactie. Ik smijt het stomme dienblaadje in het gras, schreeuw dat hij op moet houden met dat kinderachtige gedoe, dat hij een enorme slappeling is, dat ik mijn tanden in de stam zal zetten, godverdomme eigenhandig die boom om zal trekken als het moet en hem naar beneden halen. Ik sta daar als een tot leven gekomen vogelverschrikker, maar hij geeft geen krimp. Wankelend raap ik het dienblad en de kroezen op. Weer ben ik voor niets geweest.

© Monique van Roosmalen


N.B. Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.  




Naar overzichtspagina Schrijverskring Gyrinus Natator

Naar Verhalen (Dick van Zijderveld)

Naar de webstek van Dick van Zijderveld.


––––––––––––––––––––––––––––


© Monique van Roosmalen 2007