Zijn
handen beven licht. Bleke handen met lange vingers, een gouden waas van
haartjes op de rug. Zij beven, niet van het vele drinken of van
zenuwen. Zij beven. Hij weet niet waarom, ze beven gewoon, punt.
Hij
is een lange gestalte, wat te mager misschien. Grijs haar doorschoten
met rossig goud en fletse blauwe ogen. Uitgebluste ogen. Hij is
uitgeblust. Ooit een knappe verschijning, ietwat vrouwelijk, maar een
knappe verschijning.
Vrouwen keken altijd naar hem als hij ergens binnen kwam.
Nu
kijkt niemand meer. Ja, om hem te ontwijken, om niet naast hem te
hoeven
zitten. Toch verzorgt hij zich zo goed als hij kan. Hij is niet arm,
niet dakloos. Thuisloos, ja, dat mankeert hem, hij is thuisloos.
Hij had alles, alles waar hij van hield. Hij heeft het verspeeld.
Hoe
het zo gekomen is? Het begon na zijn pensionering. Hij voelt zich
afgedankt, opzijgezet. Ineens is alles wat hij weet, wat hij heeft
bereikt, wat hij heeft doorleefd van geen waarde meer. Zo heeft hij het
ervaren.
Hij weet dat hij altijd in wankel evenwicht met zichzelf
heeft geleefd. Een kras op zijn ziel, zo heeft hij dat altijd gevoeld.
Zijn werk, zijn gezin, nodig zijn, dat heeft hem altijd beschermd tegen
die kras en is nu allemaal weggevallen.
Er is een woede in hem gekomen, waarvan hij weet dat die niet redelijk
is, maar hij kan het niet veranderen.
Woede!
Zijn vrouw, die, nergens door gehinderd, de dingen blijft doen die ze
wil doen. Woede! Zijn kinderen, die volop genieten van hun jeugd en
geen last hebben van het begrip „EINDIG” dat aan
zijn horizon opdoemt.
Hij voelt zich alleen, alleen met zijn woede waar hij geen woorden voor
heeft.
En nu zit hij hier, op een bankje in de stationstraverse.
Een
droge plek. De hele morgen heeft hij in de stromende regen door de stad
gefietst. Totdat het regenwater zijn voeten liet soppen in zijn
sandalen. Het langs zijn kraag naar binnen drupte en zijn hemd doornat
maakte. Hij heeft de capuchon over zijn hoofd getrokken en een plens
water over zich heen gekregen.
Toch bleef hij doorgaan met heen en
weer fietsen. Hoopte hij dat iemand hem zou zien, zou toeroepen dat hij
binnen moest komen voor een kop koffie? Veel mensen kennen hem, maar
niet in de straten waar hij doorheen fietste.
Eigenlijk wilde hij naar de crisisopvang, maar daar nemen ze hem niet
serieus, niet meer in ieder geval.
Hij
ordent de plastic tassen die hij met zich meezeult. Niet dat het nodig
is. Hij heeft een kamer waar hij alles kan laten staan. Maar dat doet
hij niet. Hij heeft wel zes plastic tassen. Een tas met een krant en
een appel. Een tas met een spoorboekje. Een tas met een paar oude
sandalen. Een tas met een zomerjasje, een overhemd en een zakdoek,
alles gestreken. Een tas met allerlei papieren, officiële
papieren. Het geeft hem een houding, die tassen, heeft hij wat te doen
door ze te rangschikken, te verschuiven, ze op te pakken en weer neer
te zetten.
Hij gedraagt zich als de zwerver die hij niet is en
mensen reageren daarop, dat weet hij. Zo creëert hij ruimte om
zich heen. Ruimte die hij nodig heeft om zijn woede te blijven voeden.
Vanmorgen
heeft hij zich compleet misdragen op zijn logeeradres. Hij weet niet
hoe dat kwam maar ineens was daar dat venijn in zijn denken, zijn stem.
Hij had niets te zoeken in haar keuken, maar hij kon niet voorbij de
open deur lopen.
Dat
het haar toch wel goed moest uitkomen dat hij huur betaalde, dat ze
daar toch dingen van kon doen die zij anders niet zou kunnen. Haar blik
die hem in opperste verbazing bekeek.
Hij vluchtte de keuken uit,
griste zijn tassen bij elkaar en liep de deur uit. Hij zal vanavond
maar zijn excuus aanbieden. Stel je voor dat hij niet terug mag komen.
Hij
mist de veiligheid van het psychiatrische ziekenhuis waar hij verbleef.
Ook daar heeft hij zich onmogelijk gemaakt. Heel even vlamt de haat op
jegens zijn vrouw. Die heeft hem buiten de deur gezet. Zou hij zich
anders hebben gedragen als hij ook maar had vermoed dat zij dat zou
durven doen, hem buiten de deur zetten?
Hij mompelt voor zich uit en voelt hoe zijn spieren zich verstrakken,
zijn kaken op elkaar gaan klemmen.
Hij
zou iets kapot willen maken, willen schreeuwen. Hij voelt hoe grote
gebaren in zijn armen kruipen, hoe zijn mond woorden wil gaan vormen in
één grote schreeuw.
Hij graait zijn tassen bij elkaar maar stopt halverwege.
Twee paar voeten hebben stil gehouden, vlak voor hem.
„Dag pap, wacht je op iemand?”
Alle woede vloeit uit hem weg. Om zich een houding te geven pakt hij
opnieuw zijn tassen.
„Laat maar,” zegt Evelien, „we gaan
koffie drinken, ga je mee?”
„Ik
kan zo toch niet mee”. Hulpeloos wijst hij naar zijn tassen.
“Niemand
laat mij zo toch binnen en jullie willen toch niet gezien worden met
een vader, die zo, die zo…”
In een mum van tijd heeft hij de rol van verslagen vader, met alle
pathos, hem eigen, aangenomen.
„O”,
zegt Hester opgewekt, „wacht maar, dat maak ik wel even voor
je in
orde” en zij pakt al zijn tassen weg, vouwt het plastic om de
inhoud en
laat ze allemaal verdwijnen in de grootste tas. Hij staat er bij. De
armen slap langs zijn lijf, de ogen niets ziend.
De beide meisjes pakken hun vader elk bij een arm en zo lopen ze
richting lunchroom.
Een vader met zijn twee dochters, zo ziet iedereen hen.
Een lange man, een beetje mager misschien en twee dochters met rode
haren. Een opmerkelijk stel.
©Athy van Meerkerk, 17 juni 2010.
N.B.
Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met
bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.
Naar
overzichtspagina Schrijverskring Gyrinus Natator
Naar
Verhalen (Dick van Zijderveld)
––––––––––––––––––––––––––––