Eindstation
door Athy van Meerkerk

Zijn handen beven licht. Bleke handen met lange vingers, een gouden waas van haartjes op de rug. Zij beven, niet van het vele drinken of van zenuwen. Zij beven. Hij weet niet waarom, ze beven gewoon, punt.
Hij is een lange gestalte, wat te mager misschien. Grijs haar doorschoten met rossig goud en fletse blauwe ogen. Uitgebluste ogen. Hij is uitgeblust. Ooit een knappe verschijning, ietwat vrouwelijk, maar een knappe verschijning.
Vrouwen keken altijd naar hem als hij ergens binnen kwam.
Nu kijkt niemand meer. Ja, om hem te ontwijken, om niet naast hem te hoeven zitten. Toch verzorgt hij zich zo goed als hij kan. Hij is niet arm, niet dakloos. Thuisloos, ja, dat mankeert hem, hij is thuisloos.
Hij had alles, alles waar hij van hield. Hij heeft het verspeeld.
Hoe het zo gekomen is? Het begon na zijn pensionering. Hij voelt zich afgedankt, opzijgezet. Ineens is alles wat hij weet, wat hij heeft bereikt, wat hij heeft doorleefd van geen waarde meer. Zo heeft hij het ervaren.
Hij weet dat hij altijd in wankel evenwicht met zichzelf heeft geleefd. Een kras op zijn ziel, zo heeft hij dat altijd gevoeld. Zijn werk, zijn gezin, nodig zijn, dat heeft hem altijd beschermd tegen die kras en is nu allemaal weggevallen.
Er is een woede in hem gekomen, waarvan hij weet dat die niet redelijk is, maar hij kan het niet veranderen.
Woede! Zijn vrouw, die, nergens door gehinderd, de dingen blijft doen die ze wil doen. Woede! Zijn kinderen, die volop genieten van hun jeugd en geen last hebben van het begrip „EINDIG” dat aan zijn horizon opdoemt.
Hij voelt zich alleen, alleen met zijn woede waar hij geen woorden voor heeft.

En nu zit hij hier, op een bankje in de stationstraverse.
Een droge plek. De hele morgen heeft hij in de stromende regen door de stad gefietst. Totdat het regenwater zijn voeten liet soppen in zijn sandalen. Het langs zijn kraag naar binnen drupte en zijn hemd doornat maakte. Hij heeft de capuchon over zijn hoofd getrokken en een plens water over zich heen gekregen.
Toch bleef hij doorgaan met heen en weer fietsen. Hoopte hij dat iemand hem zou zien, zou toeroepen dat hij binnen moest komen voor een kop koffie? Veel mensen kennen hem, maar niet in de straten waar hij doorheen fietste.
Eigenlijk wilde hij naar de crisisopvang, maar daar nemen ze hem niet serieus, niet meer in ieder geval.

Hij ordent de plastic tassen die hij met zich meezeult. Niet dat het nodig is. Hij heeft een kamer waar hij alles kan laten staan. Maar dat doet hij niet. Hij heeft wel zes plastic tassen. Een tas met een krant en een appel. Een tas met een spoorboekje. Een tas met een paar oude sandalen. Een tas met een zomerjasje, een overhemd en een zakdoek, alles gestreken. Een tas met allerlei papieren, officiële papieren. Het geeft hem een houding, die tassen, heeft hij wat te doen door ze te rangschikken, te verschuiven, ze op te pakken en weer neer te zetten.
Hij gedraagt zich als de zwerver die hij niet is en mensen reageren daarop, dat weet hij. Zo creëert hij ruimte om zich heen. Ruimte die hij nodig heeft om zijn woede te blijven voeden.

Vanmorgen heeft hij zich compleet misdragen op zijn logeeradres. Hij weet niet hoe dat kwam maar ineens was daar dat venijn in zijn denken, zijn stem.
Hij had niets te zoeken in haar keuken, maar hij kon niet voorbij de open deur lopen.
Dat het haar toch wel goed moest uitkomen dat hij huur betaalde, dat ze daar toch dingen van kon doen die zij anders niet zou kunnen. Haar blik die hem in opperste verbazing bekeek.
Hij vluchtte de keuken uit, griste zijn tassen bij elkaar en liep de deur uit. Hij zal vanavond maar zijn excuus aanbieden. Stel je voor dat hij niet terug mag komen.
Hij mist de veiligheid van het psychiatrische ziekenhuis waar hij verbleef. Ook daar heeft hij zich onmogelijk gemaakt. Heel even vlamt de haat op jegens zijn vrouw. Die heeft hem buiten de deur gezet. Zou hij zich anders hebben gedragen als hij ook maar had vermoed dat zij dat zou durven doen, hem buiten de deur zetten?
Hij mompelt voor zich uit en voelt hoe zijn spieren zich verstrakken, zijn kaken op elkaar gaan klemmen.
Hij zou iets kapot willen maken, willen schreeuwen. Hij voelt hoe grote gebaren in zijn armen kruipen, hoe zijn mond woorden wil gaan vormen in één grote schreeuw.
Hij graait zijn tassen bij elkaar maar stopt halverwege.
Twee paar voeten hebben stil gehouden, vlak voor hem.

„Dag pap, wacht je op iemand?”
Alle woede vloeit uit hem weg. Om zich een houding te geven pakt hij opnieuw zijn tassen.
„Laat maar,” zegt Evelien, „we gaan koffie drinken, ga je mee?”
„Ik kan zo toch niet mee”. Hulpeloos wijst hij naar zijn tassen. “Niemand laat mij zo toch binnen en jullie willen toch niet gezien worden met een vader, die zo, die zo…”
In een mum van tijd heeft hij de rol van verslagen vader, met alle pathos, hem eigen, aangenomen.
„O”, zegt Hester opgewekt, „wacht maar, dat maak ik wel even voor je in orde” en zij pakt al zijn tassen weg, vouwt het plastic om de inhoud en laat ze allemaal verdwijnen in de grootste tas. Hij staat er bij. De armen slap langs zijn lijf, de ogen niets ziend.
De beide meisjes pakken hun vader elk bij een arm en zo lopen ze richting lunchroom.
Een vader met zijn twee dochters, zo ziet iedereen hen.
Een lange man, een beetje mager misschien en twee dochters met rode haren. Een opmerkelijk stel.

©Athy van Meerkerk, 17 juni 2010.




N.B. Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.  




Naar overzichtspagina Schrijverskring Gyrinus Natator

Naar Verhalen (Dick van Zijderveld)

Naar de webstek van Dick van Zijderveld.


––––––––––––––––––––––––––––


© Athy van Meerkerk 2010