Na
de dood van zijn moeder, zijn
voor Roelandt de dagen als in een roes voorbij gegaan. Hij heeft er
geen enkele herinnering aan.
De agent die het nieuws
van zijn moeders ongeluk kwam brengen heeft tegen dovenmansoren gepraat
en ten slotte de buurvrouw erbij gehaald. Vanaf dat moment is alles hem
uit handen genomen.
Hij heeft niemand kunnen
uitleggen dat hij zijn moeder iedere dag ziet, op theetijd.
Op de ronde keukentafel
staan twee kopjes, een schaaltje koekjes er naast.
Zijn moeder roert in het
kopje dat voor haar staat, pakt het op en zet het weer neer.
Ze knikt naar Roelandt
die vol liefde naar haar glimlacht. Ze blaast hem een kushandje toe,
staat op en loopt weg.
Roelandt ruimt de
theeboel op en kijkt de ruime keuken rond. Het is er warm, de zon werpt
vierkanten op de grond en aan de muur tikt een ronde emaillen klok.
De band met zijn moeder
is sterk, maar soms kan hij haar niet vinden. Dat maakt hem wanhopig.
Ze verdwijnt zonder te
zeggen waar ze naartoe gaat, zwaait naar hem bij de deur en is weg.
Uren dwaalt hij door de
straten zonder aan zichzelf toe te geven dat hij haar wil vinden.
Op een dag bedenkt hij
dat hij haar bij de trappen van het station kan zoeken.
Hij knikt goedkeurend
wanneer er een stroom reizigers van de roltrap afkomt en zich
verspreidt over de grote stationshal.
Dat heeft hij goed
bedacht, hier op dit bankje te gaan zitten. Zo kan hij alle reizigers
in het oog houden die van de grote lijnen afkomen.
Zijn moeder loopt tussen
de mensen, hij weet zeker dat hij haar zal vinden. Hij kan haar immers
uittekenen.
Blij is hij, met het
warme weer, zodat meisjes en vrouwen geen vesten of jassen dragen.
Geweldig, dat de meeste van hen hun schoudertas zo houden dat de riem
dwars over hun borst loopt.
Daardoor komt hun vorm
duidelijk uit. Hij zou ze willen aanraken, willen voelen in zijn handen.
Hij stelt zich voor, dat
zijn handen dan gaan tintelen. Dat er een energie gaat stromen waarvan
hij heel gelukkig wordt.
Hij kijkt gespannen naar
een nieuwe stroom mensen.
Daar, een blonde, kijk
nou hoe zij aan komt lopen. Ze komt regelrecht op hem af. Daar is ze,
hij wil overeind komen maar verstart in zijn beweging.
„Heb ik soms wat van je aan?” De vrouw waar hij
zijn ogen niet van af kan houden, blijft voor hem staan. Uitdagend, de
handen op de heupen.
„Viezerik …”
Ze draagt een strak
vuurrood t-shirt. De brede riem van haar schoudertas loopt precies
tussen twee volmaakt ronde borsten, gevangen in het rood. Maar ze is
niet zijn moeder.
„Het spijt me, ik wilde niet … het spijt me, ze
zijn …jij bent …” Geen seconde
is het bij hem opgekomen dat hij de aandacht zou kunnen trekken, laat
staan dat iemand hem van vunzigheid zou kunnen verdenken.
„Ik heb er geen bedoeling mee”, zegt hij nog, „Ik …” Haar spottende gezicht en harde
stem maakt de mensen om hem heen opmerkzaam. Hij staat op, voelt hoe
zijn gezicht rood wordt, kijkt nog eens naar haar en gaat er als een
haas van door.
Hij heeft het idee dat
iedereen naar hem kijkt, hem nawijst. Achter hem lacht iemand hardop.
< Dat is niet
voor jou bedoeld, niet voor jou bedoeld >, hij blijft het
denken tot hij bij de roltrap is. Hier komen nieuwe reizigers hem
tegemoet. Mensen die van niets weten en hij gaat wat rechter op lopen
terwijl hij diep adem haalt.
Hij wil naar huis,
veilig zijn, geen mensen om hem heen.
Eenmaal thuis, doet hij
de deur achter zich op slot. De vertrouwde omgeving geeft hem rust. Hoe
kon die vrouw nou denken dat hij het op haar gemunt had, hij is toch
niet geïnteresseerd in vrouwen.
„Nog niet geïnteresseerd,” zei zijn moeder
altijd, „dat komt nog wel.” Maar geen meisje kon
ooit in haar schaduw staan. Dol was hij op haar. Haar zachte haren, de
gladde stoffen van haar japonnen. Stof die hij zo graag door zijn
handen liet glijden. De zachte huid van haar mollige armen, haar
rondingen, haar zomerse blote benen. Als kind wilde hij altijd aan haar
zitten. Maar hij mocht haar nooit lang aaien.
„Houd eens op met dat gewriemel” en ongeduldig duwde
ze hem van haar af. Later heette het dat hij te groot werd om steeds
bij zijn moeder te zijn. Hij moest maar buiten gaan spelen, met andere
jongens. Maar hij hield niet van buiten spelen. En hij kon niet
uitleggen waarom hij zo graag aan zijn moeder zat. Hij had er nog geen
woorden voor.
Met schrik ontdekte hij
op een kwade dag, dat de huid van zijn eigen armen zijn zachtheid
verloren had, de haartjes op zijn benen gaven hem ook daar een stuggere
textuur. Hij was zich zelf aan het verliezen. Diep ongelukkig bekeek
hij zijn gezicht in de spiegel. Hormonen gaven hem vlekken en ook daar
werd zijn huid ruwer.
Nooit heeft hij het
gevoel dat hij in een verkeerd lichaam zit maar zijn nieuwsgierigheid
naar meisjes heeft geen seksuele lading. Hij wil gewoon graag voelen,
weten hoe een vrouwenlichaam voelt, aan de buitenkant. Het zal wel met
vroeger te maken hebben al weet hij niet precies hoe.
Iedere dag
ziet hij zijn moeder aan de keukentafel, ruikt haar parfum, hoort het
rinkelen van haar armbanden. De lichte stap van haar voeten en het
ritselen van rokken. Maar hij mag haar niet meer aanraken
In de stille
achterkamer, waar de zon warm door de hoge ruiten schijnt staat de
toilettafel van zijn moeder. Voorzichtig doet hij het deurtje open.
Daar op een plank ligt haar lingerie. Al het zachte fijne goed heeft
hij zorgvuldig gerangschikt. Als hij iets uit het kastje haalt,
worden zijn gebaren zachter, ronder.
Hij trekt zijn trui uit,
zijn broek en staat zo een tijdje voor de spiegel in zijn ondergoed.
Calvin Klein, een goed merk, maar het is geen satijn.
Dan trekt hij ook dat
uit.
Met de lichtblauwe bh in zijn handen, voelt hij hoe zijn armen ronder worden, molliger. Hij
schuift de banden, waarin een smal glanzend lint is verwerkt over zijn
armen naar zijn schouders en haakt op zijn rug de sluiting dicht. Zijn
handen glijden genietend van zijn rug langs zijn flanken. Dan pakt hij
twee gladde ronde vormen, die zich voegen naar de palm van zijn hand.
Hij legt ze even voor zich neer, om een hele dunne vleeskleurige stof
zorgvuldig over beide halve bollen te spannen. Dan pakt hij ze
voorzichtig één voor één op en
stopt ze in de cup van de bh. Hij is zo geconcentreerd dat hij bijna
vergeet adem te halen. Zweetdruppeltjes kriebelen op zijn bovenlip. Hij
voelt het niet. Als alles goed zit, dan strijkt hij heel voorzichtig de
randen van de stof op zijn huid. Er mag geen plooitje zichtbaar zijn.
Het kant van de bh ligt
over de inleg. Hij heeft borsten en met een zucht van ingehouden adem
glijden zijn handen over de bh, genietend van de zachtheid daar in. Hij
aait de welving die boven de cups zichtbaar is en taxeert het gewicht
in beide handen. Nog kijkt hij naar de buitenkant, naar Roelandt.
Bij de blauwe bh met het
lichtgroen kant, hoort een lichtgroen hemdje met spaghettibandjes
en blauwe kant.
Het hemdje past precies
en valt tot op zijn heupen. Zacht voelt de stof onder zijn vingers. Het
satijn glanst waar een zonnestraal het aanraakt en de zoete kleurtjes
liggen dicht op zijn huid. Het is stil en warm in de kamer waar het
geruis van het stadsverkeer niet doordringt.
Hij kan zijn ogen niet
van zijn spiegelbeeld afhouden, bekijkt zich van opzij en constateert
dat door de vleeskleurige stof het verschil tussen echt en
onecht niet zichtbaar is.
Zijn moeder kijkt naar
hem vanuit de spiegel. Zijn blonde haren, haar gezicht. Hij pakt haar
lippenstift en perst voorzichtig zijn lippen op elkaar. Even afkussen
en dan, haar mond!
Gevangen in het zonlicht
staart hij in de spiegel. Langzaam komt zijn moeder tot leven. Hij
huivert, zijn ogen laten het beeld in de spiegel niet los.
Bijna is het zo ver, hij
weet wat hij verlangt.
Hij tast naar
het slipje dat nog op de plank ligt en laat ook dat genietend door zijn
handen glijden.
Hij drukt zijn gezicht
in de zachte stof, met gesloten ogen geeft hij zich over, zijn
bovenlijf heen en weer wiegend. Een warme gloed van verlangen
verspreidt zich door zijn lichaam. Wordt de keuken kleiner, verandert
het licht? Hij hoort een geruis en een trage hartenklop.
Nog even, dan is hij
weer één met haar..
©Athy van
Meerkerk 2009
N.B.
Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met
bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.
Naar
overzichtspagina Schrijverskring Gyrinus Natator
Naar
Verhalen (Dick van Zijderveld)
––––––––––––––––––––––––––––