Zonder titel, voorlopig
door de auteurs van Schrijverskring Gyrinus natator


1.     Dick
M
et een schok werd ik wakker. Het was al licht, de wekker had ik helemaal niet gehoord. Ik keek naar het schermpje; het was al tien over zeven. Ik moest me haasten om nog op tijd te komen voor het sollicitatiegesprek. Toch bleef ik nog even op de rand van mijn bed zitten. Er was iets ongewoons in de sfeer van mijn kleine slaapkamer, ik kon het nog niet plaatsen. Even vroeg ik me af of ik echt wakker was. Dan realiseerde ik me dat er iets niet was: de voortdurende dreun van de autosnelweg die een goede honderd meter verderop liep. Normaal gesproken kwamen vogels om deze tijd niet boven het verkeersgeluid uit. Ook in de straat hoorde ik geen verkeer; de oude stadsbussen en de sportauto van mijn overbuurman hoorden bij de vaste geluiden van de doordeweekse ochtend. Ik liep naar het raam en schoof het gordijn opzij. Niets bijzonders te zien, alleen stilte te horen. De sportauto van mijn buurman reed geluidloos weg. Ineens schoot mij de openingsscène te binnen van John Wyndhams roman Triffid Day, die ik decennia geleden had gelezen. Aan het begin van het boek wordt de hoofdpersoon opgeschrikt door een alomvattende stilte. Het gehele sociale leven was tot stilstand gekomen doordat door een ongeluk met een bewapeningssateliet vrijwel iedereen blind of ziek was geworden. Zou zoiets nu eindelijk in werkelijkheid zijn gebeurd? Het leek niet zo waarschijnlijk; al zo lang was het goed gegaan.
    Dan schoot mij een andere angstaanjagende mogelijkheid te binnen. Zou er iets met mijn gehoor aan de hand zijn? Een moment later haalde ik opgelucht adem. Ik hoorde een paar vogels zingen. Ooit had ik gelezen dat men een bacterie probeerde te kweken die benzine zou vernietigen. Zou er zo’n organisme ergens ontsnapt zijn? Ook dat leek onwezenlijk. 
    Ik haalde mijn schouders op en besloot me te gaan kleden en te ontbijten. Over drie uur moest ik in Groningen zijn om te solliciteren naar een goede baan.

21-12-2009

––––––––––

2.         Monique
Te bruusk stond ik op om mij naar de badkamer te begeven waardoor ik met mijn hoofd tegen de houten balk van de zoldering stootte.
Sinds de dood van Janneke, alweer vijf maanden geleden nu, sliep ik in het eenpersoonsbed op het logeerkamertje dat met zijn schuine wanden bijna overal te laag was voor een man van mijn lengte. Meteen had ik geweten dat ik het niet meer op zou kunnen brengen om me te ruste te leggen op het bed waarin mijn vrouw was overleden. Alleen de aanblik al van die meest intieme en vertrouwde gezamenlijke plek, gedekt met vrolijke, satijnen rode tulpen, riep zo’n allesomvattend gevoel van eenzaamheid bij me op dat ik de houten rand aan het voeteneinde moest vastgrijpen om niet tegen de vlakte te gaan. Nog diezelfde avond had ik mijn intrek in het zolderkamertje genomen.
Ik negeerde de pijnlijke plek op mijn hoofd waar intussen wel een flinke bult zou groeien, liep haastig de trap af naar de tussenverdieping waar ik in de badkamer de douchekraan open draaide toen ik bedacht dat ik beter eerst mijn pc kon aanzetten, zodat deze alvast kon opstarten, terwijl ik mezelf wakker en schoon zou spoelen. Het was een troep in mijn werkkamer. Op mijn bureau slingerde papieren, cd’tjes, opengeslagen boeken en folders rond. Normaliter liet ik ’s avonds de boel de boel en schiep ik pas de volgende ochtend orde in mijn chaos, maar daar had ik nu geen tijd voor. Terug in de badkamer stapte ik de douchecabine in en terwijl het warme water over mijn lijf gutste kwam ik een beetje tot bedaren. Van het minste of geringste kon ik in paniek raken de laatste maanden. Onverwachte dingen riepen al snel de vreselijkste ideeën en beelden op. Futiliteiten gaven soms aanleiding tot enorme angsten voor het vergaan van de wereld of voor dodelijke ziektes. Met een vers wit badlaken wreef ik mezelf droog waarbij ik me nogmaals realiseerde dat het tijd werd voor een heroriëntatie op mijn leven als ik tenminste niet gek wilde worden. De baan in Groningen zou een prachtige nieuwe start kunnen zijn dus ik mocht niet te laat komen. Groningen, ik had er tijdens mijn economiestudie met plezier gewoond en de stad zou me vertrouwd zijn zonder dat elke hoek van welke willekeurige straat dan ook herinneringen aan Janneke naar boven zou halen, zoals in dit verrekte, verlaten dorp het geval was. Hier werd ik meer op mezelf teruggeworpen dan goed was voor een mens. Tot in de kleinste hoeken ademde dit huis haar sfeer, haar gebaren, haar gewoonten. Je mocht het voor mijn part vluchten noemen, maar ik wilde hier zo gauw mogelijk zien weg te komen. Uit de kast in de gang griste ik schoon ondergoed en liep bukkend naar mijn werkkamer me ondertussen onhandig in mijn boxershort wurmend. Staande en met het T-shirt nog om mijn hals bungelend zocht ik op mijn pc naar actuele verkeersinformatie toen langzaam maar zeker de normale, dagelijkse straatgeluiden tot me door begonnen te dringen. Ik keek naar buiten waar niets bijzonders aan de hand leek. Waarschijnlijk waren er vannacht wegwerkzaamheden geweest waardoor het verkeer tijdelijk was omgeleid. Voor niks had ik me weer allerlei muizenissen in mijn hoofd gehaald. Enfin, vanavond zou ik wel nagaan wat er precies aan de hand was geweest, nu mocht ik geen tijd verliezen. Ik sloot de pc af en liep terug naar de gangkast. Gisteren had ik me al voorgenomen om mijn grijze pak aan te doen. Donkerblauw stond me eigenlijk beter en maakte me jonger in mijn gezicht, maar ik was ruim vier kilo afgevallen en mijn blauwe pak zat al aan de ruime kant. Ik koos een gestreept overhemd uit met een bijpassende rose stropdas. Ik moest er correct uitzien en tegelijkertijd de indruk van een oude, bezadigde lul weten te vermijden. Terwijl ik me aankleedde, merkte ik dat mijn ademhaling een stuk rustiger was geworden. Ik zou nog tijd hebben om koffie te zetten en om een boterham te smeren. Redelijk ontspannen liep ik de trap af, stak de ruime hal over en drukte de klink van de keukendeur omlaag. Wat vreemd, hij ging niet open. Eerst morrelde ik nog wat aan de klink, dan gooide ik mijn volle gewicht tegen de deur, maar ik kreeg er geen beweging in. 

4 januari 2010
––––––––––

3.          Paul

Hoe deed Janneke dit ook alweer, als deze deur weigerde?
Ik morrelde nog wat, maar al snel bonkte mijn rechtervuist als een moker tegen de deur.
Huilen kon ik al drie maanden niet meer. Maar van mijn woedeaanvallen kon ik zelf schrikken. Het had me in deze werkloze situatie gebracht. Het aanbod aan mijn collega om hem zelf naar het ziekenhuis te brengen, in de hoop het onvergeeflijke vergeefbaar te krijgen, werd beantwoord met een fluim in het gezicht. Ik weet zeker dat dit pijnlijker is dan de vijf hechtingen die mijn collega heeft gekregen op de spoedeisende hulp. Ik ben gebrandmerkt als haantje, een machtswellusteling die desnoods met geweld zijn respect afdwingt. Een kantoorhufter die zijn handen niet thuis kan houden; handen die  Janneke lieflijk hadden gestreeld en haar beschermd, omarmd. Zelfs mijn handen zijn vreemden geworden.
Ik probeerde, na rustig te zijn geworden, opnieuw de deur te openen. De keukendeur kraakte alsof deze wilde zeggen ’was dat nou zo moeilijk’? Gek kon ik worden van geluidjes. Ze werden personen die me achtervolgden, uitjouwden, beschuldigden.
Drie maanden zat ik nu thuis, langzaam door te draaien. Het aantal sollicitatiebrieven dat ik had geschreven liep in de vijftig. En dan opeens die uitnodiging om te komen praten in Groningen. Een opening naar een nieuw begin.
Na een snel ontbijt, want onrustig, toch maar ruimschoots voor tijd in de auto gestapt. Onderweg in de auto luisterde ik naar Der Tot und das Mädchen van Schubert. De witte strepen op het asfalt gingen over in de trage zwarte stoet die zich voortbewoog in de jagende sneeuwbui  naar de dodenakker.  Een dikke laad sneeuw op de mahoniehouten kist die leek te zeggen ’ik vergeef het je’.
Het gekletter van de regen op de voorruit haalde me terug, gevolgd door de stem van mijn navigatiesysteem die beweerde dat ik na driehonderd meter de bestemming had bereikt.
Ik realiseerde me dat ik me een ander beeld had gevormd van de huisvesting van deze potentiële werkgever genaamd Ambigulistic Inc.  Het had niet de voornaamheid die ik uit de advertentie had afgeleid. Het oogde eerder sleets in dit, zelfs voor bedrijventerreinen, achteraf  gelegen complex. Ik werd echter vriendelijk ontvangen aan de balie door een hoogblonde verschijning die ogenschijnlijk ooit eens man moet zijn geweest of misschien buiten kantoortijden nog is. Deze verwees me een plaats in een kleine bedompte overlegruimte met een saaie kantoorkalender zonder afbeeldingen van drie jaar geleden aan de wand. Ze vertelde me dat de manager er direct aan zou komen.
Ik ging zitten aan de ronde tafel met mijn gezicht naar de deur. De klok boven de deur stond stil.
Een opgejaagde dikke man in een wit overhemd met slordig opgerolde mouwen kwam binnen met een stapel ordners in zijn handen. Hij wierp een snelle blik op me en gooide de ordners op tafel, hees zijn broek op, ging zitten en wreef nog even over zijn vette lok.
”Zo”, zei hij. ”Zijn wij niet een beetje overdressed?”

25 januari 2008
––––––––––

4.    Athy
    
Even was ik totaal van de kaart. Wat was dat nu voor een opmerking. Mijn blik gleed over de man. Vettig haar, te dik met boven de broekriem een opengeknapt overhemd. Te lange nagels die er ook niet al te fris uitzagen.
Onwillekeurig ging ik nog rechter zitten.
”Mijn naam is Van Winschoten,” zei ik vrij afgemeten. ”Wat mijn kleding betreft, de advertentie zag er nogal gelikt uit, ik verwachtte dus bij een bedrijf van ’standing’ te solliciteren.”
Pijlsnel overzag ik de situatie, hier zou ik niet gaan werken, dat stond al vast voordat ik een tweede keer naar deze man kon kijken.
”Ik bedoel er niets mee,” grinnikte de man die zich nog steeds niet had voorgesteld. ”Ik word altijd een beetje nerveus van mannen in mooie pakken, je weet wel, of ze te veel vrouwelijke hormonen hebben.” Hij lachte dubbelzinnig en knipoogde naar mij.
”Meneer,” zei ik zo formeel mogelijk, ”dit zijn in twee minuten al te veel veronderstellingen en misverstanden. Het spijt mij van uw tijd, maar van deze sollicitatie zie ik verder af. Goedemiddag”, en voor ik het zelf wist stond ik alweer buiten.
Eenmaal in de frisse lucht was de stilte oorverdovend, wat in den vrede had mij bezield, weg kans op een baan.
<O, Janneke, dit zou nooit gebeurd zijn als jij niet was doodgegaan. Waarom moest dit nou gebeuren.>
Maar, realiseerde ik ineens met trots, ik heb verdorie goed van mij afgebeten, ik ben opgetreden, heb mij niet in de luren laten leggen. Met hernieuwde energie liep ik op de auto af. <Op naar Groningen-stad>, dacht ik bij mijzelf. <Ik had ook een woedeaanval kunnen krijgen, dat is niet gebeurd. Een vreemde omgeving is misschien het beste medicijn.>

In Groningen scheen een lentezonnetje en de mensen hadden geen haast. Verrukt ademde ik de stadsgeuren in. Lunchtijd, besloot ik. Een broodje en een biertje en dan gewoon gaan kijken of er een baan is. Er zal hier toch wel een banenpool zijn of bij het stadhuis een arbeidsbureau.
Voor het eerst in maanden zag ik een glimpje toekomst, wie weet komt het toch nog goed.
Ik wist nog wel de weg in Groningen, al was ik er lang niet geweest. Het gemeentehuis hield de dubbele deuren gastvrij open en ik liep naar binnen.
Daar, in de hoek was de ingang naar het arbeidsbureau. Hoe zou het daar in het werk gaan? Ik had nog nooit naar een baan hoeven zoeken en zou mijn vorige werkgever wel goede referenties geven, na die knokpartij waarin ik mijn zelfbeheersing had verloren?
De euforie van een uur of wat geleden vervaagde terwijl ik besluiteloos naar de deur staarde.

Een paar uur later liep ik weer door de stad, verdwaasd maar ook opgetogen, eerlijk gezegd, ik was in shock.
Vanmorgen wist ik nog van niets en nu was ik eigenaar geworden van een kleine herenmodezaak. Natuurlijk moest alles nog beklonken worden.
Maar ik had al uitgerekend, dat wanneer ik het huis vlot zou kunnen verkopen, ik een goede start zou maken.
Het magazijn boven de zaak zou voorlopig wel een goede woonplek kunnen zijn. Veel had ik niet nodig.
Verstand van handel had ik wel, kennis van herenmode kon ik leren.
Trots bekeek ik een paar nieuwe manchetknopen die ik had gekocht. In mijn toekomstige winkel, dat wist ik toen nog niet.
<Janneke, nu laat ik jou achter, nu ga ik helemaal alleen mijn eigen weg. Je bent vast trots op me. Geen vechtpartijen, ik word niet gek maar eigen baas.>

februari 2010
––––––––––

5Dick

Op het volle terras was net een plaatsje vrijgekomen. Ik bestelde een spa en leunde, voor het eerst sinds maanden met een tevreden gevoel, achterover in de lentezon. Always expect the unexpected. Deze Engelse uitdrukking schoot mij opeens te binnen. Had ik er niet altijd van gedroomd een eigen zaak te hebben? En nu, bijna terloops, was ik gewezen op een goedlopend bedrijf dat al een jaar te koop stond… Er was geen bedrijfsopvolger, en de bejaarde eigenaar wilde zijn zaak niet sluiten of aan een grote winkelketen overdoen. Financieel was de zaak snel geregeld. De winkel liep goed, had een goede naam, de overnamekosten waren niet te hoog en als ik mijn huidige woning verkocht, had ik genoeg startkapitaal. De bank werkte mee; ik ging ervan uit dat ze hun toezeggingen zouden nakomen.
Een herenmodezaak… nooit aan zoiets gedacht. Maar het was zeker interessant. Niet alleen had ik wel enige belangstelling voor kleding, ook zag ik al een keten van kwaliteitswinkels voor me, die de Nederlandse man – niet alleen de financiële elite en de mediakringen – een eigen stijl zou geven. Iets tussen Engels, Frans en Deens in bijvoorbeeld. Ik zou misschien een paar ontwerpers moeten inhuren…
Een grandioze nieuwe kans! Ik zou wegtrekken naar Groningen. Het avontuur lonkte!
Ik bestelde een groot glas witbier. Iemand vroeg of hij de lege stoel van mijn tafeltje mocht meenemen. [n.r.]
Janneke zou zoiets nooit hebben goedgekeurd. Niet alleen was ze verknocht, welhaast vergroeid, geweest met haar geboortedorp, ook had ze een eigen bedrijf altijd veel te riskant gevonden. En zo was ik steeds in dienst gebleven bij dat bedrijven vol stomme idioten – nee, me niet opwinden, het nou eens niet verpesten…
Ik keek over het drukke plein. De meeste passanten waren al bijna zomers gekleed; een enkeling nog liep op winterlaarzen of met een donkere jas. Onwillekeurig bekeek ik de langslopende, vooral jonge, vrouwen. Er zou wel een universitair instituut in de buurt zijn. Langzamerhand kwamen er ook meer moeders met kleine kinderen langs.
Janneke had altijd zekerheid gewild, vooral in de tijd toen we nog over kinderen dachten. Ik zuchtte. Dat had er niet in gezeten. Hoewel – ik was nog niet te oud om vader te worden. Had ik die middag thuis moeten zijn? Ik was bij een vriendin geweest, in plaats van op m’n werk. Er was niets gebeurd, zoals dat heet; een platonischer relatie was niet denkbaar. Waarom dan dreigde dat schuldgevoel weer de kop op te steken?

Een jonge vrouw liep het terras op. Zij was vrij lang; haar halflange donkerblonde haar was zorgvuldig gekapt. Onder haar openhangende leren jasje leek ze weinig meer te dragen dan een gele zijden bloes en een donkergroene rok. Ze was voor deze breedtegraad tamelijk zwaar opgemaakt. Haar donkere ogen zochten een vrij tafeltje. Ze negeerde de aandacht die ze trok. Twee tafeltjes verder streek ze neer en haalde een map uit haar tas. Ze was aantrekkelijk, zonder echt knap te zijn. Elegant, dat was het woord. Op een of andere manier fascineerde ze me. Had ik haar weleens gezien? Ik bleef haar bekijken. Waarom kwam ze me zo bekend voor? Opeens keek ze me recht aan. Ietwat betrapt keek ik van haar weg. Las ik het goed, stond er echt Ambigulistic Inc. op de map die voor haar lag?

maart 2010
––––––––––

6Monique

Tijdens mijn sollicitatie had ik haar niet gezien, dat wist ik zeker. Ik ging staan om mijn stoel zogenaamd waterpas te zetten en schoof een halve meter in haar richting. Dan nam ik een slok van mijn witbier en keek weer even voor me uit. Intussen pijnigde ik mijn hersens: waar oh waar had ik haar eerder ontmoet? En ineens wist ik het weer. ‘De Witte Engel,’ een nachttent in Den Haag. Na een vermoeiende conferentie over informatica was ik daar, samen met mijn collega Frank, beland. Allebei hadden we teveel wijn genoten, waardoor we meenden de wereld aan onze voeten te zien liggen. Iets te luidruchtig, dat klopt. Verschillende keren had de ober veelzeggend  in onze richting gekeken en nadrukkelijk zijn wijsvinger tegen zijn lippen gelegd. Dan dimden we even, maar binnen een minuut waren we de waarschuwing alweer vergeten en hingen we opnieuw de lolbroeken uit. Totdat een schaars geklede danseres ten tonele was verschenen. Als een sensuele slang kronkelde haar prachtige lichaam rond een plafondhoge paal, waarmee geen enkele andere associatie mogelijk was geweest dan die met mijn eigen gerezen lid. Onwillekeurig had ik mijn hand op mijn gulp gelegd en terwijl het water uit mijn open gevallen mond sijpelde, had ik haar in aanbidding aangestaard. Wellicht waren er geen problemen ontstaan als ik het daarbij had gelaten. Maar plots was de beer in mij los gebroken. Ik wierp me voor haar voeten, omklemde met mijn rechterarm haar opgetrokken benen en hapte naar de verrukkelijke tenen met de felrood gelakte nagels. Met mijn linkerhand griste ik een bankbiljet uit mijn broekzak, maar nog voor ik de gelegenheid had gehad om mijn gave in haar string te stoppen, werd ik ruw achterover getrokken. Twee kleerkasten van kerels hadden me door de hele tent gesleurd om me vervolgens buiten op de stoep te gooien, alwaar het bloed uit mijn neus gutste en ik, beurtelings om mijn moeder en om Janneke, had liggen kermen. Even later was Frank naar buiten geslagen. Tot op de dag van vandaag wist ik niet wat daarvoor de aanleiding was geweest. De gluiperd: daags daarna had hij het verhaal in geuren en kleuren op kantoor verteld, maar over zijn eigen aandeel, repte hij met geen woord.  Onze andere collega’s hadden, eerst gniffelend, dan schaterend aan zijn lippen gehangen en terwijl ik met een kater, een vuurrode kop en een bek vol tanden terzijde stond, had ik de smeuïge details, tot in den treure aan moeten horen. Dat ik als een geile bok aan haar string had getrokken om een briefje van vijf euro op haar gulle, bijtrijpe kontje te plakken –#ik herhaal hier de omschrijving van Frank –, bleek steevast het hilarisch hoogtepunt van het voorval te zijn. Weken, zo niet maanden, hadden mijn collega’s me grinnikend voor vrek, zuinige piet en armoedzaaier uitgemaakt. Alsof ik met opzet het kleinste briefje uit mijn zak had getoverd, willens en wetens zo gierig was geweest.  Het idee dat dit verhaal Janneke ter ore zou komen, had me geregeld het angstzweet doen uitbreken. Nee, zelf had ik het haar niet kunnen vertellen. Te vaak stelde ik me haar reactie voor: de wanhopige blik, de tranen die over haar wangen zouden biggelen en tenslotte het dagenlange, verbitterde stilzwijgen.
En nu zat ik dus tegenover die zwarte bladzijde die ik nooit had durven opbiechten. Wat deed zij hier? Ze hoorde thuis in Den Haag, in De Witte Engel en niet met mij op een terras in Groningen.. Wat moest zij met een map van Ambigulistic Inc.?  Zou ze een dubbelleven leiden of het paaldansen voorgoed vaarwel hebben gezegd?

maart 2010
––––––––––

7.  Athy

Zo ik nog een bevestiging nodig had dat ik er goed aan heb gedaan af te zien van de baan bij Ambigulistic, dan had ik die nu.
De smoezelige man die bij mij zo’n afkeer had opgeroepen en de paaldanseres die ineens een aangeklede juffrouw was.
Al hoewel, met kleren aan ziet ze er ook verleidelijk uit. Ik soes weg in de warmte en kijk door mijn oogharen naar de lijn van haar hals, die verdwijnt achter de rand van haar bloes.
Ik stel mij voor hoe ik de sluiting nog een knoopje lager kan openen en in gedachten laat ik mijn vinger glijden over de zachte huid en de welving van haar borsten. Ik voel hoe meegevend het vlees is en laat mijn vinger zachtjes de uitnodigende spleet tussen beide borsten binnengaan.
Hoe lang is het geleden dat ik een vrouw heb aangeraakt, heb kunnen vertoeven aan de poort van lust en voldoening.
”Heeft niemand u ooit geleerd dat het niet netjes is iemand met de ogen uit te kleden?”
Ik schiet omhoog en in mijn schrik stoot ik tegen het tafeltje, waardoor mijn bierglas omvalt.
Bedrijvig redder ik met servetjes ondertussen trachtend een snedig antwoord te verzinnen, maar ik weet niets te zeggen.
”U heb ik vanmorgen gezien bij Ambigulistic Incorporated. U bleek een sollicitant te zijn die zich liet wegjagen door die idioot van een personeelsmedewerker. Laat u zich altijd zo gemakkelijk van de wijs brengen?”
”Weet u, dame, ik was een beetje aan het nagenieten van een ervaring die ik ooit had in een nachtclub ’De witte engel’ in Den Haag. Hoe het komt dat die ervaring weer naar boven kwam weet ik niet. Maanden niet aan gedacht en uitgerekend nu, op een Gronings terras…”
Tot mijn voldoening verschijnt er een behoedzame blik in haar ogen. Ik had dus gelijk, zij is het. Is dit mijn kans om die hele onsmakelijke affaire, de spot van mijn collega’s van destijds, mijn eigen walgelijke gedrag, voor eens en voor goed uit mijn geheugen te krijgen?
De aanval bevalt mij, alleen, hoe nu verder.
”U gaat mij toch niet vertellen dat u mij achterna gelopen bent, alleen omdat u mij gezien hebt in het bedrijf waar u toevallig ook werkt?”
De vrouw glimlacht nu.
”Als die personeelsmedewerker u niet zo op stang had gejaagd, dan had u bij mij uw sollicitatiegesprek gehad.
Hij had de opdracht u op te halen en bij mij te brengen. De man heeft zijn ontslag gekregen met ingang van de komende maand.
Hij heeft wraak willen nemen en u heeft zijn spelletje mooi meegespeeld. Maar misschien kunnen wij alsnog over uw toekomst praten?”
De manier waarop zij haar benen strekt en de enkels kruist is op zijn minst behaagziek te noemen.
Ineens heb ik er genoeg van. Deze dag is naar mijn idee het begin voor de rest van mijn leven. Ik heb een daad gesteld en ik heb er genoeg van zijn tijd door vrouwen te laten bepalen.
Ja, vrouwen, inderdaad. Gerouwd heb ik om de dood van Janneke. Het heeft mijn doen en laten behoorlijk beïnvloed.
Rouw zal nog wel duren, besef ik ineens met helder inzicht, maar het zal me niet weerhouden van leven. Deze vrouw wil mij ook beïnvloeden. Met zinnelijkheid en verleiding. Maar ik heb een daad gesteld, deze morgen.
”Nee”, zeg ik en voor het eerst kijk ik haar voluit aan.
”Nee, ik ben eigen baas geworden, eigenaar van een herenmodezaak”. Terwijl hij opstaat zeg ik met een hoffelijke buiging: ”Laat mij uw consumptie betalen en dan ga ik naar huis om orde op zaken te stellen.”
In geen tijden heb ik me zo goed gevoeld. Eigen baas, voor de rest van mijn leven.
 
maart 2010
––––––––––

8.  Pieter

’Der Tot und das Mädchen’ brachten mij weer wat meer in de realiteit. De auto scheurde als vanzelf over de autoweg en ik was Assen al voorbij. Een herenkledingzaak, wie bedenkt nu zoietss? Janneke wees me altijd op mijn kledingcombinaties, die echt niet konden en op de kleuren die met elkaar vloekten. En ik moest een herenkledingzaak leiden.
De pest was eigenlijk dat ik Janneke haar dood nog niet had verwerkt. Maar hoe zou dat kunnen? Na drie maanden.
Hoewel ik ontzettend veel van Janneke hield, en nog steeds houd, liep onze relatie wat stroef. Ik moest er nu weer aan denken, doordat die paaldanseres mijn Gronings pad had gekruist. In die periode van dat personeelsfeestje hadden we dagelijks ruzie.
Janneke wilde graag een kind. Ze liep tegen de dertig en het was het nu-of-nooitverhaal. Ik wilde natuurlijk ook heel graag. Niks liever dan een kind van mijn Janneke. Vóór haar had ik vriendinnetjes, maar er was altijd wel wat. De dames hielden meer van het avontuur dan ik, maar in Janneke vond ik een serieuze partner voor het leven. Janneke was echt mijn alles. Maar hoe we ook vreeën, ze werd maar niet zwanger. We hebben ons laten onderzoeken, niks aan de hand.
’Jullie willen te graag,’ zei de dokter, ’Je kunt je beter ontspannen en je zult zien dan gebeurt het vanzelf.’
Vanaf dat moment kon ik niet meer klaarkomen. We probeerden allerhande standjes, lagen uren te vrijen, maar de zaadlozing kwam niet.
’Hou je wel van mij?’ vroeg Janneke.
’Ja, echt wel,’zei ik, ’maar het lukt gewoon niet.’
’Wil je wel een kind?’ vroeg Janneke een andere keer.
’Natuurlijk, niks liever, schat.’
Die dokter had beter niks kunnen zeggen over ontspannen en maar uit je hoofd zetten. Ik dacht nergens anders meer aan.
Dat was waar, ik dacht alsmaar aan dat kind, timmerde in gedachten al een kinderkamer op zolder, maar ben daar gelukkig nooit aan begonnen.
Toen kwam de periode van de ivf. Maar het was te laat. Het sloeg ook nergens op. Moesten we soms hals over kop naar het ziekenhuis. Ik moest me bevredigen boven pornoblaadjes die me echt helemaal niks zeiden en trok door tot de vellen er bij hingen. En Janneke werd ondertussen steeds stiller. Ze was helemaal in zichzelf gekeerd. Ze bouwde een muur om zich heen, waar ik niet door kon breken. Iedere kus weerde ze af en elke knuffel werd beladen.
Nadat voor de derde keer het zaad bij haar naar binnen was gebracht en ze voor onderzoek in het ziekenhuis terugkwam, kon ik de teleurstelling van haar gezicht aflezen.
’Ik zie het aan je, weer niet.’
Ze schudde haar hoofd en plofte neer op de bank. Het was net een emotionele achtbaan, iedere keer weer die hoop en de ontlading die daarna volgde. Weken lang gespannen wachten en dan weer dat schudden van haar hoofd.
’Laten we ermee stoppen,’ riep ik in wanhoop uit.
Janneke begon acuut te huilen. Ik sloeg een arm om haar schouder. Die weerde ze af en draaide mij de rug snikkend toe.
’We zijn ons zelf kapot aan het maken,’ riep ik. ’Dit kunnen we niet nog een keer aan. Echt, laten we er mee stoppen.’
Het was de eerste nacht dat Janneke op de bank sliep. En ik droomde.
Ik draaide de A2 op en luisterde nog maar een keer naar Der Tot und das Mädchen. Het deed me constant aan Janneke denken. Het is op haar begrafenis gedraaid. Had ik het kunnen voorkomen, dacht ik, terwijl ik de volumeknop hoger zette.

Ik droomde die nacht dat ik op een vuilnisbelt liep en een reageerbuisje zag liggen. Het stak tussen het vuil uit en er zat een briefje van vijf in. Ik pakte het buisje en ontdekte dat onder het buisje nog een buisje lag, met ook daar in een briefje van vijf. Verrukt trok ik het ene na ander buisje uit de vuilnis en gooide ze enthousiast over mijn schouder, totdat ik het allerlaatste reageerbuisje uit de afval had gepulkt. Nadat ik die over mijn schouder had gegooid keek ik om en zag een berg met allemaal glasscherven met daartussen de briefjes van vijf, die ik onmogelijk nog tussen de scherven vandaan kon trekken. Ik stond met lege handen.

Dat gevoel heb ik nog steeds.
Zeker vanaf het moment dat Janneke over de snelweg ging rennen en geschept werd door een auto en het voorgoed stil werd.

28 april 2010
––––––––––

9.  Paul

De beltoon van mijn gsm wekte me. Ik moet diep hebben geslapen, want even wist ik niet meer waar ik was en de lege plek naast me verontrustte me heel even. Ik griste het mobieltje van mijn nachtkastje. Mijn hoofd bonkte van gebrek aan hersenvocht. Het schijnt dat alcohol maakt dat de hersenen water ontrekt uit de beschermende vochtlaag tussen het brein en de hersenpan. Wanneer dit vocht ontbreekt, beuken je hersenen bij elke beweging als vanzelf tegen de binnenkant van schedel, wat maakt dat je hoofdpijn krijgt. Ik voel een enorme behoefte aan koel water. Het lawaai van mijn telefoon snerpt door mijn hoofd.
’Met  Gerard.’ Ik klonk schor.
Het was mijn persoonlijk adviseur van de bank. Een lang verhaal dat ik nauwelijks kon bijbenen: solvabiliteit, onderpand, exploitatielasten. Het kwam er op neer dat de aanvankelijke goedkeuring aan mijn carrière in de confectie werd ingetrokken. De crisis maakte dat mijn woning minder waarde vertegenwoordigde en de bedrijfswaarde van de winkel niet meer in verhouding stond tot de vraagprijs.
Ik kon slechts ’oké’ murmelen. Mijn adviseur zou contact opnemen met de eigenaar. Even wist ik niet of ik nu blij moest zijn of teleurgesteld. Was ik behoed voor een cruciale misstap? Werd me een blije toekomst door de neus geboord?
Ik strompelde naar de badkamer, draaide de kraan van de wastafel open en lurkte aan het weldadige koude water. Met de mij onbekende onmatigheid waarmee ik gisterenavond een fles Bordeaux naar binnen had gewerkt dronk ik gulzig van de niet aflatende straal, totdat mijn maag aangaf dat het meer dan genoeg was. Nog steeds voelde mijn tong als een lap leer.
Ik stapte onder de douche en begon me weer enigszins nuchter te voelen. De toekomst lag opeens weer open. Ik had geen perspectief meer. Gedachtes uiteenlopend van vrees en hoop gingen door me heen. Omdat ze me geen stap verder zouden brengen zat er maar één ding op: het heft in eigen hand nemen, verantwoordelijkheid dragen voor elke beslissing en vooral geen ronddolen meer in het verleden. De blik moet vooruit gericht zijn.
Ik droogde me af en zocht een stel kleren uit die me altijd een goed gevoel geven: Mijn lichtblauwe hemd van Paul Smith, een rode katoenen broek en mijn bruine handgemaakte Italiaanse brogues. Daar passen geen sokken bij.
Het enige wat me had gecompleteerd was een sportwagen met open dak. Zo goed heb ik echter nooit verdiend. Het weer zou was perfect voor geweest. Ik zag door het badkamerraampje een helder blauwe lucht en enkele uiteinden van de prunustakken vol met bloesem.
Het deed mijn humeur zo goed dat ik de duurste geur uit het kastje pakte die ik had: Antaeus van Chanel. Normaal een luchtje voor een chique avond. Vooral de sandelhoutgeur vind ik bedwelmend. Ik glimlach naar mezelf in de spiegel als ik wederom het deuntje van mijn gsm hoor klinken. Laat het nu iets aangenaams zijn, iets wat de toon zet voor de rest van de dag.
’Met Gerard.’
’Meneer Terpstra, u spreekt met De Jager, hoofdinspecteur politie district Kennemerland. Er zijn nieuwe ontwikkelingen inzake ons onderzoek naar het ongeluk van uw vrouw.’
Ik zuchte diep. ’Wat voor ontwikkelingen?’, vroeg ik.
‘Er heeft zich een anonieme getuige gemeld die het ongeluk met uw vrouw heeft zien gebeuren. We hebben het kenteken van de auto waarmee uw vrouw is aangereden. De verklaringen van de getuigen doen ons vermoeden dat het geen ongeluk is geweest.’… Bent u daar nog?’
Ik stamel van ’ja’.
’Meneer Terpstra, wellicht dat het een vervelende vraag is, maar ik moet hem stellen’.
’Vraagt u maar’, zeg ik.
’Hoe goed was u relatie?’
In een oogwenk zit ik in mijn afschuwelijk nachtmerrie, hang ik aan dat roze slipje, voel ik mijn onmacht in de armen van Janneke.
’Laat ik het zo stellen’, vervolgde De Jager. ’Is het mogelijk dat uw vrouw zaken voor u achter hield?’
Ik was niet volledig eerlijk, Janneke wel. Ik voelde woede en onmacht in me opkomen.
Janneke beschuldigen, de zuiverheid zelve, hoe durven ze.
’Het spoor leidt ons naar een nogal dubieuze onderneming in Groningen met de naam Ambigulistic. Heeft u daar ooit eerder van gehoord?’
’Ja zeker,’ zeg ik bijna opgewekt.
De man aan de andere kant zweeg even, zuchtte en schraapte vervolgens zijn keel.
’Meneer Terpstra, u zet geen stap buiten de deur op straffe van hechtenis. Binnen vijftien minuten staan we voor uw deur om u op te halen voor verhoor op het bureau.’

15 mei 2010
––––––––––

10.  Monique

Even was ik verbijsterd. Ik legde mijn mobieltje op mijn bed en zakte op de kleine thonetstoel die ernaast stond. Dan begon ik koortsachtig na te denken. Wat had die De Jager in godsnaam met mij te bespreken? Waar waren ze achter gekomen? Zou ik alsnog de vuile was buiten moeten hangen en zo ja, welke smoezelige kledingstukken kwamen dan het meest in aanmerking voor openbare vertoning? Hoe moest ik over Janneke praten zonder haar weg te zetten als een geobsedeerd, zielig hoopje ellende? Ik wilde haar naam op geen enkele manier alsnog bezoedelen. Maar eerlijk gezegd werd ik nog het meest in beslag genomen door het aftasten van de verschillende mogelijkheden waarop ik mijn eigen hachje zou kunnen redden. Al te openhartig en eerlijk zijn leek mij in ieder geval geen optie. Misschien had ik wel eens buiten het potje gepist, maar ik was geen crimineel en moest ten enenmale zien te voorkomen dat ik die De Jager iets in handen zou spelen waarmee hij aan de haal zou kunnen gaan.
Enfin, het moge duidelijk zijn dat mijn conditie van die ochtend het helder denken behoorlijk in de weg stond. In mijn hoofd buitelden er van allerlei gedachten over elkaar heen. Die drukte ging gepaard met beelden die ik liever allang vergeten zou zijn. En ineens bleef er een beeld hardnekkig stilstaan. Ik zag mijn oud-collega Frank voor me. Hij zat aan zijn bureau en hield de hoorn van de telefoon aan zijn oor gedrukt. Daarbij keek hij veelbetekenend in mijn richting, alsof het gesprek over mij ging. Er zat iets uitdagends en tegelijkertijd iets geniepigs in die blik. Na het akkefietje met die paaldanseres had hij regelmatig zo naar mij gekeken, herinnerde ik me nu. En even regelmatig had hij telefoongesprekken gevoerd waarbij hij fluisterde en een hand voor zijn mond hield. Wat er besproken werd had ik dus niet kunnen volgen, maar zakelijk waren die gesprekken niet geweest, dat wist ik zeker. Het verbaasde me nu dat ik daar niet eerder iets achter had gezocht. Was er een vuil spelletje met mij gespeeld of met Janneke misschien? Die gedachte maakte me razend. Ik sprong op van mijn stoel, rende de gang in en weer terug naar de slaapkamer. Dit herhaalde ik waarschijnlijk verschillende keren tot ik plots in de badkamer belandde waar ik mijn eigen ontredderde smoel in de spiegel ontmoette. Ja, achteraf jammer dat ik de Antaeus van Chanel niet terug in het kastje had gezet. Ik pakte het flesje van de wastafel, deed een stap naar achteren en smeet het met kracht in de richting van mijn spiegelbeeld. Ik herinner me nog dat ik iets hoorde rinkelen, dat mijn gezicht vol barsten zat en vreselijk zeer deed, dat er bloed in de wastafel druppelde en dat de lucht, waar ik anders zo van genoot, niet te harden was. Daarna moet ik buiten westen zijn geraakt. Toen ik bij kwam lag ik languit in de badkamer. Het was alsof ik het bonzen in mijn hoofd kon horen. Of kwam het geluid van de vuisten die op mijn voordeur beukten?

21 juni 2010
––––––––––



N.B. Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.



Naar pagina Verhalen

NAAR OPENINGSPAGINA

Naar de webstek van Dick van Zijderveld.


––––––––––––––––––––––––––––


© Paul Boluijt, Pieter Hoekstra, Athy van Meerkerk, Monique van Roosmalen, Dick van Zijderveld 2009, 2010.